Het was me het weekendje wel. Het begon allemaal erg onschuldig afgelopen zaterdagavond op de Rough Trade-avond in de Paradiso. Openers Eastern Lane zijn, twee jaar na hun debuut-album, nog steeds erg jong, vooral ook in hoe ze hun muziek aanpakken: openen met een a capella gospel-achtig nummer, dan een bot punkrockertje van nog geen minuut, dan een van hun bekendere nummers en zo gaat het van de hak op de tak nog eventjes door. Als het goed is, is het gewoon goed, maar die paar ballads op de piano zijn wel érg simpel.
Are You Ready To Rock?, vraagt Emiliana Torrini in de bovenzaal. Jaaa!, doen wij. Dan zijn we toch écht in de verkeerde zaal, riposteert de IJslandse breed lachend. De bovenzaal is vanavond inderdaad gereserveerd voor het meer ingetogener, intiemere deel van de line-up. Zo wordt Torrini slechts vergezeld door een jazzy aan z'n akoestische snaren plukkende gitarist. Het kan dus nooit een teveel aan volume geweest zijn waardoor tijdens het tweede nummer een mevrouw op een van de eerste rijen plots flauwvalt. Ook dit gaat trouwens weer gepaard met een hoop gegrinnik vanaf het podium. Haar nummers mogen dan niet zo ontroerend zijn als, om een paar dwarsstraten te noemen, Kathryn Williams of El Perro Del Mar, maar Torrini's onbeholpen pogingen tot humor en vooral dat sexy IJslandse accent met die rollende r-en maken het moeilijk niet voor plusminus 30 minuten verliefd op haar te worden.
Voor de rock moeten we dus in de Grote Zaal zijn en rocken doen de Detroit Cobras. Soulcovers in een punk-y garagerock'n'roll jasje met een hoog halflang, vettig haar, truckerscafé-gehalte en een voormalig slager (en exotic dancer) met doorrookte stem en verveelde uitstraling als boegbeeld. Leuk, maar hierna snel weer naar boven voor de Ierse singer/songwriter David Kitt. Stoned als een garnaal (zelf zegt-ie dat-ie gewoon erg moe is) maar z'n liedjes zijn mooi, zelfs de cover van (Toploader cq Phil Lynott's) Dancing In The Moonlight. Leuk om te zien hoe Kitt, alleen begeleid door z'n eigen gitaar, toch staat te deinen op alleen in zijn hoofd te horen hiphop-ritmes. Af en toe mogen wij van het publiek gelukkig ook kennis nemen van deze beats, als hij meespeelt met z'n Ipod, maar dat ding heeft een beetje een eigen willetje.
Beneden wijst vervolgens niets op de komst van British Sea Power. Waar zijn de opgezette reigers en de takkenbossen, die het podium tijdens voorgaande optredens steevast versierden? Oh, wacht, de takkenbossen zijn vandaag de dag alleen nog te vinden aan de trommel van de toetsenist/percussionist en, kijk daar, de zanger heeft een houten uil onder z'n arm. Gelukkig is er dus weinig veranderd in het universum van BSP. Ze klinken nog steeds een beetje als Interpol afkomstig zou zijn uit Royston Vasey. En zien er ook nog steeds zo uit: de zanger lijkt onderweg naar een cricketwedstrijd, de gitarist alsof hij auditie doet voor de hoes van Kraftwerk's Man Machine (maar z'n stropdas vergeten is), de bassist heeft z'n kersttrui alvast aangetrokken en de toetsenist/percussionist lijkt rechtstreeks afkomstig uit de Eerste Wereldoorlog. Ik was bijna vergeten hoe groots en meeslepend nummers als Remember Me en Fear Of Drowing waren en daarnaast doen ze nog een cover van Galaxie 500's Tugboat ook.
Na verwend te zijn met de zichzelf niet al te serieus nemende Emiliana Torrini en David Kitt is Low (zonder Mimi, die past thuis op de kinderen) een net iets te zware kluif en dus is het wachten op afsluiters de Delays. Wist van te voren niet helemaal zeker of ik ze al eens eerder gezien had, maar ik kan me niet voorstellen dat ik die dwergachtige zanger met z'n op de groei aangeschafte kapsel zo snel vergeten zou kunnen zijn, dus waarschijnlijk niet. De muziek is iets minder memorabel. Nearer Than Heaven was een leuke single maar die spelen ze al als tweede nummer en voor de rest is het beetje een slappe poging tot een toegankelijkere versie van Muse, dus zonder dat eindeloze getoonladder maar met een flinke dosis standaard-Britpop.
De zondag begon al wat opmerkelijker. Want half vier is niet bepaald een rock'n'roll-tijdstip voor een concert. Meer mensen lijken er zo over te denken, want het is akelig leeg in de bovenzaal van de Paradiso. En da's erg sneu voor Solex. Vers terug van een uitgebreide Amerikaanse toer had ze deze thuiswedstrijd waarschijnlijk anders voorgesteld. Bovendien is Solex ongekend op dreef. Heur nieuwste album The Laughing Stock Of Indierock staat weer vol dwarse hotseknotsende samplepop maar de liedjes lijken iets directer en poppier dan voorheen. En live heeft ze in Caesar-drumster Marit De Loos de perfecte partner gevonden om haar muzikale gedachtekronkels te ondersteunen.
Na afloop blijkt er beneden ook nog van alles gaande. Er staan stoeltjes, een filmscherm, mensen in pak. Het blijkt de officiële opening na de verherbouwing van Paradiso. Niet gehinderd door het ontbreken van een uitnodiging gaan we naar binnen. Eerst nog schalks achteraan bij de deur, maar we voelen ons al snel thuis tussen alle beleids-, bestuurs- en raad-van-toezicht-piepeltjes (Felix Rottenberg! Peter Te Bos van Claw Boys Claw! Tweedekamerlid, en afscheidnemend Paradisobestuurslid, John Leerdam! etc) en als het officiële programma is afgelopen gaan we zonder problemen mee met de rondleiding achter de schermen van de Poptempel mee en voor je het weet word je (gratis!) champagne nippend langs de kleedkamers gevoerd en sta je de glas-in-lood-ramen achter het podium eens van de andere kant te bewonderen. En, laat ik eerlijk zijn, dat gebeurt me niet bepaald elk weekend.